Boezemfibrilleren is een ernstige ziekte gezien het risico op een cerebrovasculair accident (CVA/TIA); 1 op de 6 CVA's ontstaat ten gevolge van boezemfibrilleren. De hoge CVA/TIA incidentie is een goede aanleiding om het antistollingsbeleid bij een patiënt met boezemfibrilleren via een geaccepteerd protocol aan u te presenteren.

In de Europeesche en Amerikaanse richtlijnen ( ESC/AHA/ACC) wordt de CHADS2 risico-index gehanteerd. In deze risicoscore staat de "S" (stroke) voor 2 punten; de andere risicofactoren voor 1 punt.

 

  • C = congestive heartfailure
  • H = hypertension
  • A = age above 75 years
  • D = diabetes mellitus
  • S = (previous) stroke

 

Figuur 1 geeft aan de hand van de CHADS2 score de kans op een CVA weer.

 

Patiënten met een risicoscore van 0 punten hebben geen behandeling met orale anticoagulantia (OAC) nodig. Uitzondering: de periode voor, tijdens en na cardioversie bij langer dan 48 uur bestaand boezemfibrilleren. 

Patiënten met een risicoscore van 2 of meer behoren volgens de CHADS2 score behandeld te worden met OAC. 

Patiënten met een risicoscore van 1 punt kunnen behandeld worden met zowel een plaatjes remmer (acetylsalicylzuur) als OAC. Ook bij paroxysmaal boezemfibrilleren dient patiënt ingesteld te worden op OAC.

 

Literatuur: Nieuwlaat e.a. beschrijven het toepassen van antitrombotische behandeling bij patiënten met boezemfibrilleren. In dit onderzoek waren 5333 patiënten geïncludeerd. De resultaten van het Euro Heart Survey laten zien dat in de klinische situatie patiënten met boezemfibrilleren niet optimaal behandeld worden ter preventie van CVA's.

 

Enkele voorbeelden ter illustratie van de CHADS2 score:  

Casus 1: een 72 jarige patiënt met boezemfibrilleren en een doorgemaakt CVA, zonder diabetes mellitus, hypertensie of hartfalen heeft een CHADS2 score van 2 (Stroke) en dient behandeld te worden met OAC.

 

Casus 2: een 81 jarige patiënt met boezemfibrilleren, hypertensie en diabetes mellitus heeft een score van 3 punten (age, HT en DM) en dient behandeld te worden met OAC.

 

Casus 3: een 47 jarige patiënt met boezemfibrilleren maar geen andere risico factoren heeft een CHADS2 score van 0 punten en kan behandeld worden met een plaatjes remmer. Er is geen indicatie voor OAC.

 

Casus 4: vervolg casus 3, boven genoemde patiënt ontwikkelt persisterend boezemfibrilleren. Ten tijde van het consult heeft patiënt ongeveer 7 dagen symptomatisch boezemfibrilleren, er is een adequate rate controll. Alvorens een cardioversie uit te voeren dient patiënt gedurende 4 weken adequaat ontstold te worden met OAC, (INR 2.5 - 3.5). Mocht tussentijds het boezemfibrilleren toch geaccepteerd worden dan kan volstaan worden met de plaatjesremmer. (casus 3: CHADS2 score 0 punten).

 

Samenvattend: de CHADS2 risico index is eenvoudig te gebruiken en geeft goed inzicht in het beleid bij boezemfibrilleren. LabNoord adviseert de behandelende artsen dan ook om gebruik te maken van deze geaccepteerde en erkende risico score. Bron NHJ vol 17, No 1 januari 2009